Carré confituur maken: zo blijft het gebak krokant en loopt de vulling niet uit

Een goudbruin raster, een fruitige laag confituur en een krokante bodem: carré confituur is een echte Belgische bakklassieker. Het gebak lijkt eenvoudig, maar juist bij eenvoudige recepten maken kleine details een groot verschil. Een te dunne vulling loopt tijdens het bakken weg, een warme bodem wordt snel slap en een slordig raster maakt het geheel minder aantrekkelijk.

Wie zelf carré confituur wil maken, heeft daarom meer aan een goede baktechniek dan aan een lange ingrediëntenlijst.

Wat is een carré confituur?

Carré confituur is een rechthoekig of vierkant gebak met een laag confituur en een decoratief raster van deeg. Na het bakken wordt het in vierkante porties gesneden. In België bestaan verschillende uitvoeringen. Sommige bakkers gebruiken bladerdeeg, andere kiezen voor korstdeeg of een steviger zanddeeg.

De bekende confituurtaart en carré confituur lijken qua smaak sterk op elkaar. Het verschil zit vooral in de vorm, de dikte van het deeg en de manier van portioneren.

Kies het juiste deeg

Bladerdeeg geeft een luchtig en krokant resultaat en is gemakkelijk verkrijgbaar. Het nadeel is dat het snel zacht wordt wanneer de confituur veel vocht bevat. Korstdeeg of zanddeeg geeft een steviger gebak dat makkelijker strak in vierkanten te snijden is.

Werk je met kant-en-klaar bladerdeeg, houd het dan zo lang mogelijk koel. Warm deeg wordt slap en plakt sneller. Leg de bodem in een rechthoekige bakvorm, druk hem voorzichtig aan en prik met een vork enkele gaatjes in het deeg. Zo voorkom je dat de bodem tijdens het bakken sterk omhoogkomt.

Gebruik stevige confituur

Niet iedere confituur is geschikt. Een dunne of zeer vloeibare variant kan uitlopen en in het deeg trekken. Kies daarom voor een stevige confituur met voldoende fruit en pectine.

Abrikoos, framboos, aardbei en pruim zijn klassieke keuzes. Abrikozenconfituur heeft een frisse smaak en geeft vaak een mooi glad resultaat. Frambozenconfituur is iets krachtiger en combineert goed met een boterachtig deeg.

Is de confituur te dun, verwarm hem dan kort in een pannetje en laat hem iets inkoken. Gebruik geen overdreven dikke laag. Ongeveer 250 tot 300 gram confituur is meestal voldoende voor een middelgrote rechthoekige vorm.

Bouw het gebak zorgvuldig op

Verdeel de confituur gelijkmatig over de bodem en laat langs de randen ongeveer één centimeter vrij. Snijd uit een tweede lap deeg smalle repen van ongeveer één centimeter breed.

Leg eerst enkele repen in één richting over de vulling. Plaats vervolgens de andere repen kruislings, zodat een ruitvormig patroon ontstaat. Voor een echt gevlochten effect til je om en om een reep op en schuif je de dwarsliggende strook eronder.

Bestrijk het raster met losgeklopte eidooier en een klein scheutje melk. Dit zorgt tijdens het bakken voor een mooie, goudbruine glans.

Bak het gebak ongeveer 25 minuten in een voorverwarmde oven van 190 °C, of totdat het deeg gaar en gelijkmatig gekleurd is. Deze temperatuur en baktijd sluiten aan bij een gangbare Belgische bereiding met bladerdeeg.

De drie meest gemaakte fouten

Een natte bodem ontstaat meestal door te vloeibare confituur of een te dikke vulling. Laat confituur daarom inkoken en verdeel slechts een dunne, egale laag.

Een ongelijk raster ontstaat wanneer de deegreepjes verschillende breedtes hebben. Gebruik een liniaal of pizzasnijder voor rechte stroken.

Ook te vroeg aansnijden is een veelgemaakte fout. Warme confituur is nog vloeibaar. Laat het gebak daarom volledig afkoelen voordat je het in vierkante stukken snijdt.

Zo blijft carré confituur het lekkerst

Bewaar het gebak afgedekt op kamertemperatuur en eet het bij voorkeur binnen twee dagen. In de koelkast blijft het langer goed, maar het deeg kan daar zachter worden. Laat het gebak voor het serveren op kamertemperatuur komen.

Zelf carré confituur maken vraagt dus geen ingewikkelde technieken. Met koel deeg, stevige confituur en voldoende afkoeltijd bak je een klassieker die krokant blijft, mooi snijdt en smaakt zoals hij bedoeld is.